De Standaard, March 14, 2005
Van onze redacteur Jan Bohets
BRUSSEL - Er is in de landen van Europese Unie een geleidelijk verlies aan begrotingsdiscipline bezig via onderlinge besmetting, zo stelt een Europese adviesgroep van economen vast. Hoge deficits in het ene land worden als excuus aangegrepen voor hoge deficits in andere landen. De pogingen om via de EU budgettaire discipline op te leggen, lijken mislukt.
CESifo, het netwerk van Europese economen rond het Ifo-instituut en de universiteit van München, concludeert uit zijn jaarlijkse analyse van de Europese economie dat de verdere opleving sterk afhangt van het voortduren van de internationale hoogconjunctuur. Ook door een verdere stijging van de olieprijzen en van de euro kan ze in gevaar worden gebracht.
De euro is nu sterk overgewaardeerd, zo zei Hans-Werner Sinn, voorzitter van het Ifo-instituut, bij de voorstelling van het rapport. Europa zit bovendien met een levensgroot investeringsprobleem. De winstmarges verbeteren, de financieringsvoorwaarden zijn gunstig en na een lange periode van zwakke investeringsactiviteit is er grote behoefte aan modernisering van het productie-apparaat. In de huidige conjunctuurfase zouden de bedrijfsinvesteringen tegen een tempo van zowat 8 procent per jaar moeten worden opgevoerd, maar ze nemen gemiddeld met slechts 1,8 procent toe, en in Duitsland dalen ze nog. De Duitse ondernemingen verschuiven hun investeringen naar elders.
Hoewel Europa nauwelijks deel heeft aan de wereldwijde boom, ligt de economische groei er toch licht boven de trendgroei. Volgens de keynesiaanse logica zouden er dus nu begrotingsoverschotten moeten zijn, geen deficits. Maar zo zien de politici het niet, aldus Sinn. Ze willen altijd maar lenen, kijken alleen naar de volgende verkiezingen en denken niet aan de toekomstige generaties.
De tekorten in Duitsland, Frankrijk, Italië, Griekenland en Portugal blijven op of boven de 3-procentslimiet van het Verdrag van Maastricht. De discussies over de aanpassing van het Groei- en Stabiliteitspact zullen uitlopen op laksere regels. Het kernprobleem, de niet-afdwingbaarheid van de regels, wordt niet aangepakt.
Het rapport noemt de tendens naar langere arbeidstijd bij gelijkblijvende betaling als reactie op concrete dreigingen met outsourcing al bij al een goede zaak. Een verlenging van de werktijd van 35 tot 40 uren bij gelijkblijvend maandloon komt neer op een verlaging van de uurlonen met 12,5 procent, zo berekent Seppo Honkapohja, hoogleraar aan de universiteit van Cambridge en voorzitter van de CESifo-adviesgroep. Dit kan verlies van banen voorkomen, en bovendien wordt het productie-apparaat dan intenser gebruikt, wat de arbeidsproductiviteit verhoogt. In de mate dat ook de winstmarge erdoor wordt opgekrikt, betekent dat een stimulans voor de investeringen. Dat alles kan op termijn tot meer werkgelegenheid leiden.
De uitbreiding van de EU zet aan tot verschuiving van investeringen naar de nieuwe lidstaten, waar de arbeidskosten zoveel lager zijn. De verleiding is volgens Sinn nog veel groter dan bij de toetreding van Spanje en Portugal, want de loonkosten in die landen bedroegen de helft van het West-Duitse niveau, terwijl ze nu in de acht nieuwe lidstaten van het voormalige Oostblok gemiddeld slechts 14 procent van die van Duitsland bedragen. De investeringen in het eurogebied dreigen dan ook lager te blijven dan tijdens voorgaande perioden van economische opleving.
De nieuwe internationale productiepatronen doen de binnenlandse toegevoegde waarde per geproduceerde eenheid - de zogenaamde ,,productiediepte'' - afnemen. Vooral in de industrie is dat het geval. De West-Europese trend naar desindustrialisering is niet los te zien van de outsourcing.
Dat het kapitaal mobiel is en in toenemende mate aan outsourcing van arbeidsintensieve activiteiten wordt gedaan, vormt op zichzelf geen groot probleem voor de groeikracht van Europa als geheel, want het wordt er beter door ingezet en de concurrentiekracht van de West-Europese bedrijven wordt erdoor versterkt. Maar de voorwaarde daartoe is wel dat de arbeidsmarkt flexibel is, zodat kan worden overgestapt van krimpende naar expanderende sectoren, zo waarschuwt Sinn. Zoniet is het gevolg stijgende werkloosheid. Zo verloor Duitsland tussen 1999 en 2004 1,3 miljoen banen (in voltijds equivalent) in de industrie zonder dat er in de rest van de economie één arbeidsplaats bijkwam.
Please send your comments or questions on specific articles to: presse@ifo.de. Please mention in your e-mail the article you are concerned with.
Phone: +49(0)89/9224-1604 Fax: +49(0)89/9224-1267
2012 2011 | 2010 | 2009 2008 | 2007 | 2006 2005 | 2004 | 2003 2002 | 2001 | 2000
Press Echo
Comments on current economic policy issues in Policy Debate: